BIECHT EENS OPRECHTEN.

Het is met mij een vreemd geval;
Mij zelven ken ik niet, en al;
De waarheid wil ik heelendal;
En ’t allerwaarste ontveins ik mij
En gij?

Hij dwaalt, die mij baatzuchtig hiet;
Mijzelven zoeken wil ik niet;
Toch zie ik vaak, tot mijn verdriet,
Mijzelven niet geheel voorbij —
En gij?

Het blinkend lokaas, geld en goed,
Heeft weinig vat op mijn gemoed;
Toch kan in ruimte en overvloed
Iets wez.en, dat ook ik benij —
En gij?

Eerzuchtig?..… Wat is wereldsche eer!
Een bonte waterbel, niets meer.
Toch overkomt me een enkle keer,
Dat ’k heimlijk om een pluimpje vrij —
En gij?

„De wereld vreugd vergaat met haar.”
Ik ken dat woord en acht het waar;
Ook kent mijn hart iets beters; maar
Soms haak ik wel naar iets daarbij —
En gij?

Mijn kruis neem is geduldig aan.
„Wat God doet, dat is welgedaan,”
Toch voel ik, met mijzelf begaan,
Soms iets dat zich beklaagt in mij —
En gij?

Wat hier door mij beleden werd,
Strekt me inderdaad tot groote smart;
’k Bestrij ’t en val mijzelven hard,
En toch — somtiids vergeef ik ’t mij! —
En gij?


Ingezonden op: 19 July 2001