OTTO GERHARD HELDRING,

overleden te MariŽnbad in Bohemen, den 11den,
begraven te Zetten, op den Vluchtheuvel, den 17den Juli 1876.

Ofschoon de dood uw fakkel bluschte
In ver verwijderd oord:
Hier moest de plaats zijn van uw ruste;
Hier, waar gij thuisbehoort;
Hier, waar wij u met liefde ontvangen;
Met blijdschap bij de smart;
Met tranen op dc bleeke wangen;
Maar met een dankbaar hart.

Hier zult gij zacht en rustig slapen,
In vaderlandschen grond,
Te midden, Herder! van de schapen,
Die u Gods liefde zond.
Hier zult gij in de ruste deelen
Van haar die, stil en blijdí,
U, den verzorger van zoo velen,
Haar zorgen had gewijd.

Hier zal u ít kerkje schaduw schenken,
Door uwe hand gebouwd,
Waar gij de woorden en de wenken
Des hemels hebt ontvouwd.
Hier staan, als opgerichte steenen
Eerbiediglijk geschaard,
De vier Gestichten om u henen,
Die zeggen wie gij waart.

Hier zullen kindren, vrienden, broedren
Verzamen keer op keer,
En diepbewogene gemoedren
Zich wenden tot den Heer,
Om kracht als uwe kracht te vinden,
En moed, uw moed gelijk,
Tot leven, werken, onderwinden,
Volharden, koninklijk!

O Gij gezegende des Heeren,
Man Gods en Menschenvrind,
Schoon voorbeeld, dat wij dankend eeren,
Hoe hebben we u bemind!
De krans verwelkt, na korte stonde,
Die hier uw lijkbus tooit;
Maar ít hart, dat u waardeeren konde,
Vergeet zijn Heldring nooit.


Ingezonden op: 19 July 2001