BIJ DEN DOOD

VAN

HENRIETTE SWELLENGREBEL,

sedert zijn oprichting in 1844 tot den 30sien Mei 1874,

Bestuurster van het Diaconessenhuis te Utrecht.

I.

VOOR DE DIACONESSEN.
BIJ HAAR GRAF.

Zij is met jubeltoon ontvangen
In ít nieuw Jeruzalem;
Maar hier zijn tranen op de wangen
En tranen in de stem;
Daar wij de dierbre missen moeten
Wie nooit ons hart vergeet,
Die neerzat aan des Heilands voeten
En naar zijn voorbeeld DEED.

Met welk een stroom van vreugdeklanken
Zal zij, door heel den stoet
Van haar voor goed genezen kranken,
Daarboven zijn begroet!
Maar wie zal waardiglijk bekleeden
De plaats, die Zij begaf?
Zoo klaagt de droefheid hier beneden,
En staart op ít zwijgend graf.

Het hoofd naar boven! God zal zorgen.
Op HEM het oog gericht!
Uit donkren nacht verrijst de morgen
Als HIJ spreekt: Daar zij licht!,
wij willen wachten, wij vertrouwen
En houden biddend aan;,
Gelijk die edelste der vrouwen
Ons steeds is voorgegaan.


II.

AAN HAAR BEDROEFDE ZUSTERS.

Een parel is aan ít snoer ontzonken,
Verbroken door Gods hand,
Maar om in Jezusí kroon te pronken:
Een rozenstruik verplant,
Om in den hoogsten hof te pralen,
Om daar in vollen bloei te staan
Waar, bij de zachtste zonnestralen;
De schoonste knoppen opengaan.


Ingezonden op: 19 July 2001