DE HORENSLAK,

Sans ami, comme sans famille,
Ici-bas vivre en étranger;
Se retirer dans sa coquille,
Au signal du moindre danger:
S’aimer d’une amitié sans bornes:
De soi seul emplir sa maison;
En sortir suivant la saison,
Pour faire à son voisin les cornes;
Signaler ses pas destructeurs
Par les traces les plus impures:
Outrager les plus tendres fleurs,
Par ses baisers ou ses morsures;
Enfin, chez soi comme en prison,
Vieillir, de jour en jour plus triste;
C’est l’histoire de Il’égoiste
Et celle du colimaçon.
ARNAULT.
Hier, zonder vrienden of gezin,
Gelijk een vreemdling rond te sluipen;
Zorgvuldig in zijn schulp te kruipen,
Zoo ras gevaar dreigt, meer of min;
Met eigen ik en niemand meer
Het huis vervullen, waar ze in wonen,
En, uitgegaan bij gunstig weer,
De hoornen aan zijn buurman toonen;
Het heilloos pad, waar langs men gaat,
Aan ’t vuilste spoor te laten kennen;
De teêrste bloemen, vroeg en laat,
Met valschen kus of beet te schennen;
Gevangene onder eigen dak,
Zijn dagen vreugdloos voort te sleepen,
Ziedaar het leven, welbegrepen,
Van egoïst en horenslak.

 


Ingezonden op: 19 July 2001