OP HET HUWELIJK

VAN MIJN ACHTSTE KIND;

Beroepen Predikant te Houten.

Zeven en een was acht;
Ze zeiden dat het wat veel was (*)
Maar schoon t een ordentelijk deel was,
We hebben tot vijftien t gebracht.

Schoonzoons kregen wij twee;
Zij werden met blijdschap ontvangen;
Wij konden geen beetre verlangen;
Wil tellen ze als eigene mee.

Schoondochters hebben wij een.
Zij is wel wat ver uit onze oogen
Haar echtvriend in de armen gevlogen;
Maar mochten wij t laken? Neen. (*)

Ook blijft het er geenszins bij,
Daar brengt ons Cornelis de tweede!
Wil zijn uitermate te vrede
En haast zoo gelukkig als hij.

Naar Oost of West te gaan
Zal hij zich met haar niet verstouten.
Zij gaan vooreerst maar naar Houten,
Een uur op zijn best hier vandaan.

Daar staat de woning klaar,
Omgeven van needrige daken,
Waarin zij tezamen gaan smaken
Het zoet van t eerste jaar.

De pastorie, het stil
En zedig en zalig verblijfje,
Daar t zedig en huiselijk wijfje
Een hemeltje stichten wil.

Daar staat de statige kerk,
En opent haar deur met verlangen,
Om de eerstelingen te ontvangen
Van s jeugdigen leeraars werk.

Daar ligt de herderstaf
De trouwe hand te verbeiden,
Waarmee hij de kudde zal weiden,
Die God hem te weiden gaf.

Trek op, gelukkig Paar!
Met Zijn en uw Vaders zegen,
En weest, onder vr en tegen,
Een zegen, ook voor elkaar!

9 Aug. 1878.

Ingezonden op: 19 July 2001