’K BEN JONG GEWEEST.

Ps. 37: 25.

’k Ben jong geweest. Ik greep van ’t leven
Den beker moedig aan.
Met rozen was de rand omgeven
En frissche wingerdblaan.
’k Heb menig zoete teug gedronken —
Niet altijd enkel zoet!……
Die haar gemengd hadt en geschonken,
Mijn God! waart altijd goed.

’k Ben oud geworden. ’k Heb de doornen,
Het deel van Adams kroost,
Als alle van een vrouw geboornen
Gekend, maar ook den troost;
Het zweet des aangezichts, de smarten
En zorgen hun bereid;
Maar ook den stillen vre๊ des harten;
En nooit vertwijfeldheid.

Ik zag rechtvaardigen en vromen,
Door leed op leed gedrukt,
Het waar tot de lippen komen,
Het dierbaarst hun ontrukt;
Belaagd, gekweld door die hen haatten,
Gelasterd en bespot,
Van hun voornaamsten vriend verlaten,
Maar nimmer van hun God.

Ik zag hun kroost, met smartlijk treuren.
Beroofd van steun en staf,
’t Bekreten oog ten hemel beuren,
Bij ’t ouderlijke graf;
Maar zegen aan hun lot verbonden,
Ook bij den hoogsten nood,
Altlid den balsem bij de wonden,
En zeker van hun brood.


Ingezonden op: 19 July 2001