NIETS ONVERMENGD.

Vreugd en droefheid gaan te zaam
In dit hachlijk leven;
Rozen, zacht en aangenaam.
Worden ons gegeven;
Doornen zijn er, meer of min,
Aan de onmisbre stelen;
Veel, dat zoet was in t begin,
Heeft aan t eind iets bitters in,
Voor te grage kelen.

t Is gewaarschuwd, laat en vroeg,
In gedicht en proze,
Maar nog nooit herhaald genoeg
Voor den achtelooze;
t Wordt bevonden, vroeg en laat,
Al te waar te wezen ;
Maar men ziet niet dat het baat;
Ieder maakt op alles staat,
En schijnt niets te vreezen.


Ingezonden op: 19 July 2001