ONVERMOGEN.

Op eenmaal soms ontwaakt in mij,
Wanneer ik t minst verwachte,
Van schoonheid en van pozy
De wordende gedachte.

Een onbepaalde en zoete lust
Sluipt hart en aadren binnen,
Als werd ik in den droom gekust
Door een der Zanggodinnen.

Er ruischen tonen om mij heen,
En schoone vormen zweven
In glanzig nevelwaas dooreen,
Die mij het hart doen beven.

De schoonste wenkt mij in t verschiet
Om tot haar door te dringen;
Ik strek mijn armen uit. zij vliedt,
En al mijn snaren springen.


Ingezonden op: 19 July 2001