QUERULIANA.

I.

Dat rei een zangrei zegt, een dansrei of een koor,
En rij een reeks beduidt, drong niet tot ieder door.
Dat die op t mos zich vlijt, geen vleier hoeft te wezen,
Blijkt ons niet altijd, waar wij t lezen;
En wat geenssints beduiden moet,
Wordt geenszins door mijn brein bevroed.

II.

Schijfschieten heette t eerst wat nu Schietwedstrijd heet.
Scherpschutters placht voordezen
De vast~ naam te wezen
Van die met vaste hand zich in den Doelen kweet.
t Is nu al juistheidswapen wat men ziet;
De juiste woorden echter treft men niet.

III.

Een afgeworpen vrucht deed eertijds zuchten slaken.
Zij kon slechts noodrijp zijn, doorvreten van een worm,
Of afgesmeten door een storm:
Thans schijnt zij iedereen te smaken.

IV.

Verplaatsen is?                                                                      
Van plaats verandren doen.
                                                                   Zeer goed.
Zeg nu ook wat verpakken wezen moet!
Verpakken is nu voor inpakken t woord
Och! pak u voort!

V.

Iets ten halve te zijn is een kwaad en een leed;
Maar uw halfheid is Duitsch, en heel Duitsch, dat gij t weet.

VI.

Van af is meer dan schennis van een wet,
Door taalgeleerden ingezet;
Moedwillige verkrachting mag het heeten
Van taalgevoel en taalgeweten.
k Wou af uw schoot, zegt in zijn brabbeltaal het wicht
Dat aanstonds beter leert door moeders onderricht,
En zeker levenslang in t rechte spoor zal blijven,
Zoo t maar geen lezen leert of schrijven.

VII.

Gij gaat er op in, gij gaat er op in!
Sta mij toe, dat ik er in trede.
Gij hebt, op zijn Duitsch, polemiek in den zin;
Maar ik, op zijn Hollandsch, houd vrede.

VIII.

Erg lief, erg mooi, erg aardig beste man!
t Hardnekkigst optimisme beeft er van.
Wordt alles erg, dan is t zoo erg als t kan.


Ingezonden op: 19 July 2001