TAAL EN LETTEREN.

Uitgesproken aan den Disch van het Taal- en Letterkundig Congres, gehouden te Brussel, Augustus 1878.

Zij rusten niet, zij rusten niet,
Wie ’t Schoone mag verrukken,
Die ijvren op het Taalgebied,
Die worstlen met het woord en ’t lied,
Om Waarheid uit te drukken.
De kunst is lang, het leven kort:
De prijs, waar om gestreden wordt,
Dien weinigen ontvangen,
Is schoon, maar hoog gehangen.

Zij sterven niet, zij sterven nooit,
Die dezen prijs verwierven.
Een lijkbus met een krans getooid,
Een graf met bloemen overstrooid,
Verkondig’ dat zij stierven,
Hun stof verga, verwaai — geen nood!
Is Maerlant weg? Is Vondel dood?
Is Bilderdijk bezweken?
— Zij leven; want zij spreken.

Van nageslacht tot nageslacht,
Van eeuw tot eeuw weerklinken
Hun godenzangen, zwaar of zacht,
Die met hun oude en nieuwe kracht
In open harten zinken:
Het lied der smart, het lied der vreugd,
Het vroolijk lied van liefde en jeugd,
Dat eeuwig jong zal blijven
Zoo ver er wolken drijven.

Zij achten ’t niet, zij kennen ’t niet,
Die enkel stof bejagen:
Die waar het hart ons vol bij schiet,
Ons oog een zachten traan vergiet,
Hun „maar wat geeft het?” vragen.
Die laagheid strekt zichzelf ten straf;
’t Slijkwroetend zwijn beloont zijn draf,
Klapwiekende adelaren,
Der zon in ’t oog te staren.

De schoone kunsten sieren ’t land,
Waar zij haar kracht in toonen,
De kunstmin, meer dan diamant
Of bloedrobijn, de kronen.
Heil vorst en volken, die ’t beseft,
Den kunstnaar eert, beschermt, verheft;
Uw naam zal in gezangen
Onsterflijke eer erlangen!


Ingezonden op: 19 July 2001