AAN THERÈSE SCHWARTZE.

NA ’T VERLIE8 VAN EEN GELIEFDE ZUSTER.
„Als ik haar nog maar ééns zien
mocht, ik zou tevreden zijn.”
TH. S.

„Nog éénmaal, éénmaal slechts haar zien!
„Mocht dat geschiên,
„’k Zou in mijn leed tevreden wezen.”
Hoe nu? Een tweede scheidens-smart,
Na de eerste, zou van ’t bloedend hart
De wond genezen?

Neen, neen! Verwin dien ijdlen wensch.
Als God den mensch
Een offer vergt, — hoe zwaar ’t moog vallen.
Hij bren ge ’t hem; eerbiedig; stil;
Volkomen; naar zijn eisch en wil
En welgevallen.

Dan neemt hij ’t als een offer aan,
Van ’t kind voldaan,
Dat Vaderliefde-alleen beproefde.
’t Is of hij ’t zacht voor ’t voorhoofd kust, —
En o! nu komt de kracht, de rust,
Die ’t hart behoefde.

Nu durft, in vrede met haar lot,
Met vroom genot,
De ontprangde ziel zich overgeven
Aan al wat troost en hopen doet,
Verzachting brengt, en nieuwen moed
Schenkt om te leven.

Therèse, sla dat donker oog
Eens blijde omhoog!
Daar is een weerzien voor Gods kindren;
Daar waar de voet op starren treedt,
En zonde, hartstocht, dood noch leed
’t Genot der liefde zal vermindren.

17 Nov. 1880.

Ingezonden op: 19 July 2001