AAN MIJNE TWEE

NOG OVERIGE ZUSTERS.

Eens waren wij .een kring van zeven
Drie broers, vier zusters waren wij;
Niet dan een drietal is gebleven,
Mijn lieve zusters, gij met mij.
Het was de jongste van ons allen,
Een blijde bloem van twintig jaar,
Die ít, allereerst ons moest ontvallen?
Hoe lang alreeds beweent gij haar!

Toen de oudste; een lieve gade en moeder,
Zoo rijk begaafd, zoo hoog geschat;
Uw tweede, straks de derde, broeder,
Ter hefte van hun levenspad,
Ons levenspad begint te hellen;
De tijd des avonds nadert vast;
Och mochten we onze dagen tellen
Zoo als het wijzen lieden past!

Nooit heeft de liefde last geleden,
Nooit tweedracht tusschen ons bestaan;
Die voorgegaan zijn, zijn met vreden
Van onze zijde weggegaan.
Zoo zal het blijven bij die bleven,
Totdat de laatste stond beslist;
Het hart dat God ons heeft gegeven
Is onbekwaam tot broedertwist.

Wiens uurtje zal nu ít eerste komen ?
Aan mij de beurt, naar ít jarental.
Maar als wij ít geen van drieŽn schromen
Zoo .is er troost, het vallí hoe ít vallí:
Dan zien we elkander aan bij ít scheiden
En zeggen: GODS wil moet geschiÍn
Wat wij in ít leven dikwijls zeiden
Dat geldt ook nu: ĄTot wederzien!Ē


Ingezonden op: 19 July 2001