ALLEENSPRAAK

VAN EEN WIJSGEERIG KUIKEN, PAS UIT DEN DOP.

Zeer vreemd, voorwaar! Bijzonder zonderling!
Nochtans verblijd ik mij in dees verandering:
Het duister van den kerkerdop verdwenen,
En mijn gedachten, vrij gelijk mijn beenen,
Zich roerende in een onbegrensden kring!
Niet langer zoo onredzaam ingepakt;
In staat tot onderzoeken, tot betoogen,
Waarnemen en doorzien met klaarziende oogen,
En, zoo zich harde knoopen opdoen mogen,
Die opgelost of, moet het, doorgehakt!
Zou een vrij denkend kuiken ’t kuikenleven
In twijflen slijten, daar ’t met twijflen aanvangt? Neen!
’t Probleem moog zwaar zijn. dat zich opdoet voor mijn schreên:
Ik ben geen kuiken om het op te geven —
Ik ben niet blind; wie blinddoekt mij? Niet een.

Laat zien! Dit ’s de eerste vraag: Hoe was ik ingekomen
Waar ’k uitgekropen ben? De tweede is: En van waar
Kwam ik daar in?
De derde: Waarom daar
Niet eerder uitgeraakt?
’k Beken het: ver van klaar
Is mij dit drietal raadsels. Zou ik schromen
Het onder ’t oog te zien? Neen! Laat mij peinzen!… Maar
Hoe weet ik dat ik ooit geweest ben, waar ik zeide
Dat ’k uitkroop? Neen, voorwaar! hoe grondiger Ik denk,
Hoe min vertrouwen ’k aan eene onderstelling. schenk
Zoo stnitend voor mijn rede en zelfbewustzijn beiden,
Met recht in opstand waar ’k mijn kuikenwaarde krenk…
Onmooglijk! IK, met lijf en beenen, snavel, schachten,
En vlerken, en dit machtig hoofd,
Die werkplaats der diepzinnigste gedachten…
Eens in zoo vuil een dop!… Een slechthoofd dle ’t gelooft!
Neen neen! Laat andren zich met schijn van waarheid paaien;
Ik ben geen kuiken, dat m’ een rad voor ’t oog kan draaien,
Maar dat bij licht van eigen rede ziet,
En wat ik niet begrijp, geloof ik niet.
Doch van waar kwam ik dan? Dien doolhof uit te komen
Is zoo gemak1ijk niet; is deksels zwaar. Maar zacht!
Natuurlijk is daar van nature een kracht,
Een vormkracht, alles vormende uit atomen,
Die ergens in de ruimte, en onverwacht
(Ook onbedoeld, dat spreekt!) bijeengebracht…
Gebracht? Wat zeg ik? niet gebracht, gekomen,
En, naar de ontwikklingswet — (dat schrikbeeld van de vromen,
Maar sleutel van ’t heelal) — ontwikkeld,— duizend Jaar —
Et cetera… Daar hebt gij ’t. ’k Zie ’t zoo klaar
Als dees mijn neus-tip met dit oogenpaar.

Wat hoor ik daar? Mijn moeder kakelt tegen!…
Daar is ze een oudje voor en weinig aan gelegen;
Ze is diep onkundig, ver ten achtren, en veracht
(’t Vooroordeel. toont in haar. zijn kracht)
Het nieuwe, als Ik het oude, uit alle macht.
Hoor haar eens leutren! „Diepe denker, stoute spreker!
Wat zoudt gij wezen dan een dwaas? ’k Zie ’t bij uw taal,
Zoo klaar, zoo duidlijk en zoo zeker,
Als aan uw achterst dit fragment van de eierschaal!”

Voortreflijk! Dit fragment! Uw achterst! Wij herkennen
’t Mallootig bijgeloof van suffe moederhennen,
Dat a1tijd zien wil wat het ziet!
Voor mij hoe ’k mij bevlijt om langs mijn neus te staren,
’t Doet me aan mijn achterst’ schaal noch schaalsgelijk ontwaren
En ’k blijf standvastelijk met kuikenmoed verklaren:
Wat ik niet zie, geloof ik niet.

Naar het Engelsch.

Ingezonden op: 19 July 2001