„Mijn dagen zijn in ’t gele blad”;
De tijd van groei en bloei is om;
Nog spaart mij God, wat ik verbad:
„Een wintersche’ ouderdom”.

Het heilig vuur, in mijn gemoed
Niet uitgedoofd door wel of wee,
Verwarmt mij nog, deelt van zijn gloed,
Mag ’t zijn, aan andren meê.


Ingezonden op: 19 July 2001