ONZE KONINGIN.

AAN THERÈSE SCHWARTZE.
De Koningin! Van dag tot dag
    Is ’t Neerlandsch hart om haar verheugd,
En prijst zoo luid het prijzen mag
    Haar wijze jeugd.
                                haar rijke deugd.
Het ziet haar aan zijns Konings zij,
    Een frissche roos op elke koon,
Een vriendlijk oog, zoo vrij en b1ij;
    Met haar den troon
                                   zoo dubbel schoon;
Manlijke kracht bij ’t zacht der vrouw,
    Zoo zedig rein, zoo vriendlijk goed;
Oprechtheid zonder vlek of vouw;
    Een vasten moed;
                                een eedlen gloed;
Den Koning trouw; een hart voor ’t Land
    Waar zij haars Vaders huis voor liet,
Voor ’t Volk, dat ze aan haar voeten ziet .
    Een kloek verstand;
                                    een open hand;
Een mond, die met bekoorbren klank
    Het Neerduitsch van den landzaat tart.
Een oor, graag luistrend naar den zang,
    Waar ’t Hollandsch hart
                                            in kenbaar werd.
Een hoofd, zich buigende voor Dien,
    Die alles schiep, en ’t al regeert,
En die in gunst op Haar zal zien,
    Die, hoog geërd,
                               Hem eeren leert.
Van elk beminde Koningin!
    De Koning juicht in uw bezit,
En heel zijn volk spreekt, eens van zin:
    „God nam hem veel: Hij spaar hem dit!
„Hij spaar hem haar; Hij spaar hem ’t kind
   „Welks vriendlijk glimlachje elk verrukt
„Om hem, zichzelf, en haar bemind
   „Die ’t in haar moederarmen drukt!”

TOEËIGENING.

En gij, die Kind en Moeder maalt!
   Die taak ontsteke in u den gloed,
Die, w:tar hij uit uw oogen straalt.
   Het doek bezielt en leven doet.

1880.

Ingezonden op: 19 July 2001