LIEFDE NA DEN DOOD.

De liefde ontwaakt in ít menschlijk hart
Sterk, waar de Dood zijn werk gedaan heeft.
Wie voelde ít niet met schaamte en smart,
Die eenmaal bij een lijk gestaan heeft?

Daar lag hij, dien men had gekend
En toch met heel en al gekend had;
Wie weet? Men vreest het! Tot op ít end
In menig opzicht wreed mis-kend had.

Nu zijn er oogen om te zien
Wat schoonst en best was in dat leven,
En sterke neiging bovendien
Om ít slechtste een beetren plooi te geven.

Nu is het voor altoos gedaan
Met dat lichtvaardig vonnis vellen;
Nu vullen wij ít gebrekkige aan,
Om ít nooit gebleekíne te onderstellen!

Nu kunnen wij ó wij konden ít lang,
Maar deden ít niet, in al die jaren!
Het ergste ook uit den samenhang
Met iets belendend goeds verklaren.

Heel de inhoud van den liefdeplicht
Dien we altijd kenden, schaars betrachtten,
Komt tot ons met zijn vol gewicht
En blijkt zoo zwaar niet als wij dachten.

Ach, waarom levenslang bestreÍn,
Of slechts ten halve toegegeven,
Waarvoor het hart te pleiten scheen,
En dat Gods Woord had voorgeschreven?

Ach, waarom levenslang betwist,
Wat we in een oogenblik begrijpen,
Zoo ras een doode aan dien sofist-
in-ít-hart den gorgel toe komt knijpen?

Ach, waarom gij, die met ons leeft,
Is ít noodig dat ge ons gaat begeven,
Eer onze liefde u alles geeft,
Waarop gij recht had heel uw leven?


Ingezonden op: 19 July 2001