NAAR MAERLANT.

(VAN JACOB ENDE VAN MARTINE. EERSTE MARTIJN STR, 48, 49.)

I.

In dees bedroefde wereld zijn
Twee kleine woordjes, MIJN en DIJN:
Och kon men die verdrijven!
De vrede was dan meer dan schijn,?
Elk vrij, geen mensch in band of pijn,
De mannen noch de wijven.
Men had gemeen de tarwe en wijn
En over zee noch asn den Rijn
Zou men geen ziel ontlijven.
Maar nu beneemt ons t zwart venijn
Der hebzucht dit genot, Martijn!
Of doet het achterblijven
En ander recht beschrijven.
God, die het al met wijsheid doet,
Gaf dit verganklijk aardsche goed
Den menschen in t gemeen;
Opdat zij zouden zijn gevoed,
Het lijf gekleed, geschoeid de voet,
En leven rein van zen
Maar zie nu hoe de hebzucht woedt.
Dat iedereen in arren moed
t Al hebben wil alleen.
Hierom vergiet men menschenbloed,
En bouwt met roekeloozen spoed
Burchtsloten zwaar van steen,
Tot smart van menigeen.


Ingezonden op: 19 July 2001