MORGENSTOND.

BUITEN.

Wees vroolijk! ’t Is geworden dag;
De zon is opgekomen.
Het leeuwriklied, de kwartelslag
Wordt reeds van ver vernomen;
De wazige ochtendmist trekt op;
De dauwdrop hangt aan blad en knop;
Een luchtig windje schudt den top
Der frisch ontwaakte boomen.
Gij rijst, treedt uit, van ongeduld
Naar ’t wachtende genot vervuld,
En vreest te laat te komen.

BINNEN.

Wees vroolijk! Hoor! De dag vangt aan
Voor straten, stegen, kaaien.
Reeds doet eens bakkers schorre haan
Een poging om te kraaien;
De buurt ontwaakt; uw wekker luidt; .
De melkboer schelt; een spoortrem fluit.;
Een vrachtkar dreunt; een handkar kruit;
Uw dienstmaagd k1opt de matten uit;
Baar bezem grist; haar glazenspuit
Komt trommlen op uw vensterruit…
Gil hoort dit alles, maar besluit.
U nog eens om te draaien.
En schoon ’t geweten zegt: „Ontwaak!
Vroeg opstaan is een schoone zaak!”
Gij toont daarvoor in ’t minst geen smaak,
Maaar antwoordt met vernieuwde vaak,
En weet het wel te paaien.


Ingezonden op: 19 July 2001