AAN MIJN ZONEN.

Wanneer het graf mijn stof begeert,
Mijn lijk gevoerd wordt langs de straten
En straks ter groeve neęgelaten,
Wat wereld zal ik achterlaten?…

Een wereld, waarin God regeert.

Een wereld, waarin God regeert,
Zijn almacht als van ouds zal toonen,
Als altijd, bij de oprechten wonen —

Dit zij uw kracht, uw troost, mijn Zonen!
Bij al wat ergert, kwetst, en deert.

Bij al wat ergert, kwetst, en deert,
Bij al wat vallen zal en zinken,
Met valschen glans en kleuren blinken,
Godlasterlijk in de ooren klinken,
En oud’ of nieuwen afgod eert.

Een oud’ of nieuwen afgod eer’
Het kroost niet uit mijn heup gesproten,
Met heilig doopvocht overgoten…

De stam behoorde U; laat de loten
Niet groenen dan voor U, o Heer!


Ingezonden op: 19 July 2001