ONTLEENDE GEDACHTEN.

I.

ALTERNATIEF.

Gij kunt al t goed niet doen, dat ge in uw eedle droomen
U voorgespiegeld hadt en als uw plicht beseft;
Des moedloos, geeft gij t op. Moet dan, wat u betreft,
Al t kwaad, dat komen kan, maar komen?


II.

NAAR EEN MATERIALIST.

Hoe hooger ik uw gaven eer,
Te dieper moet ik mij bedroeven,
Zoo groot een geest te hooren snoeven
Dat hij een lichaam is, niets meer.


III.

JEUNESSE DORE.

Verachtelijke zwerm van knapen, los van zeden,
Verkwisters van uw jeugd, haar kracht, haar geest, haar gloed.
Die t leven wegsmijt voor doemwaarde nietigheden,
Geeft mij uw twintig jaar, zoo gij er niets me doet!


IV.

VERDRAAGZAAMST.

Wie moet verdraagzaamst zijn? Wie is het duurst verplicht?
Die t klaarziendst oog bezit, bij t ruimste vergezicht.


V.

VERLEIDING.

Beeft II de duivel, vriend! of hebt gij hem verleid,
Zijn list uitlokkende door go gelegenheid?


VI.

TEN EERSTE ZUIVER!

Hoe neemt gij t? Rein van hart, of zuiver in de leer?
Veel is de waarheid waard; maar waar te zijn nog meer.


VII.

ONTZIET ELKAAR.

Ontziet elkaar, gij strijdende. partijen!
Bewijst elkander schuldige eer!
De waarheid zal er niets bij lijen,
En gij betracht een deugd te meer.


Ingezonden op: 19 July 2001