DE OUDE OLM

BIJ

„KRAANTJE-LEK”,

aan den voet van den Blinkerd, bij Haarlem.

Ja, ’t is nog ’t oude Kraantje-lek,
Vaak door mijn voet betreden,
Behelzende in beknopt bestek
Tal van vermaaklijkheden:
De wipplank hier, de schommel daar,
En gij. mijn Olm, die honderd jaar
Het voorbeeld hebt gegeven
Van op de schors te leven.

Uw Blinkerd, door Van Walrés lied
Zoo luid en hoog geprezen,
Is sedert lang de Blinkerd niet,
Waarvoor zijn zangen rezen.
De mensch heeft hem te zeer geplaagd,
Zijn hooge schedel is verlaagd,
Zijn romp ineengezonken,
Zijn lenden zijn geslonken.

Maar gij. hoe hol, heft nog de kruin,
En draagt uw eeuwen prachtig!
Geen storm, die aanrukt over ’t duin,
Geen tijd is U te machtig.
Voor zestig jaren kende ik u;
Toen waart gij reeds zoo hol als nu,
En nu, indien ’t kan wezen,
Nog groener dan voordezen.

De schoolknaap, met zijn kameraads
Naar Kraantje-lek getogen,
Zag in dien bollen stam een plaats,
Begeerlijk in zijn oogen.
Hij daalde, als in een levend graf,
In uw ontzaglijk duister af
Met zingen en met fluiten —
Gij kondt er vier besluiten.

De grijsaard, zestig jaar daarna,
Stapt weer uw heiligst’ binnen.
Genoodigd, volgen hem weldra
Twee jeugdiger vriendinnen.
Ons drietal was u wellekoom,
Mijn kraantje-leksche wonderboom!
Wij konden ’t wel ontwaren
Aan ’t raatlen van uw blaren.

Blijf lang nog frisch en vol van kracht,
Schoon holste van de hollen!
Beschaam, door kroon en bladerpracht.
De volste van de vollen!
Blijf, door herbergzaamheid,. de vreugd
Van Haarlems wandelgrage jeugd,
En, boe ook stormen razen,
Elk nieuw geslacht verbazen!


Ingezonden op: 19 July 2001