PROFANEEREN.

Het profaneeren is aan de orde van den dag;
Want andren heilig is, vindt geen ontzag
Bij kindren eener eeuw, die zich beroemt
Op hooge ontwikkling als zij t gaarne noemt?
Ja, van den geest, t mag zijn, maar niet van t hart,
Dat altijd doover, altijd doffer werd
En koel en koud verwerpt, beschimpt, begekt
Al wat van hooger komt, naar hooger trekt,
Op hooger wijst dan t glinstrend stof der aard,
En, zelf gevoelloos, uw gevoel niet spaart.
De kerk niet slechts, niet slechts de vromen, God,
Godzelf en zijn regeering wordt bespot.
Voorzienigheid, onsterflijkheid, ziedaar
Voor t spotziek hart de meest gewilde waar.
Zoo dit behoort tot wat vooruitgang doet,
Wee t nageslacht, dat nog weer verder moet!


Ingezonden op: 19 July 2001