ROSABELLA.

Hoort toe, gij Juffren, lief en schoon!
Ik zing geen bloedig wapenfeit;
Droef is het lied en zacht de toon,
Die Rosabella’s lot beschreit.

„Meer, kloeke Veerman, meer uw schuit!
„En schoone Jonkvrouw, wacht uw voet!
„Stel d’overtocht tot morgen uit;
„Waag u vandaag niet aan den vloed.

„De zwarte golf jaagt schuimend voort;
„De meeuwen vliegen angstig rond;
„De gil der meermin is gehoord,
„Die schipbreuk, nood, en dood verkondt.

„Den grijzen ziener kwam vannacht
„Een vrouw in druipend doodskleed voor;
„Geef op zoo droef een voorspook acht;
„Blijf hier, en zet de reis niet door.”

„ „’t Is om Lord Lindsay’s erfzoon niet,
„ „Niet om den dans op ’t feestlijk bal,
„ „Maar om mijn moeder, wie ’t verdriet
„ „Alleen te zitten in haar hal.

„ „Denk niet, het mocht om ’t ringspel zijn,
„ „Waar Lindsay’s zoon de kroon bij spant!
„ „Neen, maar mijn’ vader smaakt geen wijn
„ „Tenzij van Rosabella’s hand.” ”

’t Kasteel van Roslin scheen dat uur
In wonderdadig licht te staan;
’t Was breeder dan van ’t bakenvuur;
’t Was rooder dan de glans der maan.

Het gloeide om Roslin’s steile rots,
Het kleurde ’t braambosch in de glen;
Men zag ’t van Drydens eikenbosch,
En van ’t spelonkrijk Hawthornden.

Het gloeide om Roslin ’s slotkapel,
Waar, ongekist en onbedekt,
Elk Heer van Roslin goed en wel
Ligt in zijn rusting uitgestrekt
.

Daar binnen scheen ’t op beuk en muur;
Op ’t altaar; in de sacristy;
De omkranste pijler blonk als vuur;
’t Lichtte, onder ’t wulf, de dooden bij

En elke roos, aan boog en beer,
Aan trans en tin, scheen bloedig rood —
Als telken maal, wen ramp of nood
Den Huize dreigde van St. Clair.

Zijn twintig Heeren zag dat Huis
Uitdragen ter gewijder steę;
Geharnast slapen ze in haar kluis; —
Maar Rosabella slaapt in zee.

En geen St. Clair, ’t zij oud of jong,
Is zonder lijkdienst heengegaan; —
Maar Rosabella’s doodlied zong
De schorre meeuw, de wilde orkaan.

Naar WALTER SCOTT.

Ingezonden op: 19 July 2001