SLEDEVAART.

Hoor de sleden met de bellen,
Zilvren bellen,
Die van jeugd en vreugd vertellen,
D oudsten suffer wakker schellen,
t Al in rep en roere stellen,
Wat niet somber ziet of zuur
In dit fijnkoud avonduur,
Nul min vijf van Raumur,
Daar aan s hemels hel azuur,
Alle sterren pittig pralen,
Flikkren, stralen,
Als nooit uitgeblonken
vonken
Van een lustig hoogtijdvuur,
Als zoo veel deelnemende oogen
Vroolijk blikkende uit den hoogen
Op dit sneeuw- en vreugdeveld,
Schitterend aan alle kanten
Van juweel en diamanten;
Waar het pronkpaard met zijn pluimpn,
Brieschende t gebit doet schuimen
En steeds sneller voorwaarts snelt,
Op t geklingel
En getingel,
Dat het prikkelt, dat het kwelt,
Dat het met een vruchtloos wanen,
Door het schudden van zijn manen
Wil doen zwijgen met geweld,
Daar t steeds luider belt, belt, belt,
Belt en schelt,
Schelt en belt,
En, in altijd hooger tonen,
Onzer dochteren en zonen
Onverdoofbre feestpret meldt.

Naar aanlelding van EDGAR POES The Bells (I).

Ingezonden op: 19 July 2001