STEMMEN DER NATUUR.

Uit het Italiaansch.

I.

AUGUSTUSNACHT.

Hoort toch, gij Starren, wat de Baren
U telkens zeggen stil en luid:
Wij zijn zoo moede u aan te staren;
Komt hier! Wij strekken de armen uit

Wij hebben duizend kostbre dingen,
Kristal en paarlen en koraal;
Wij kunnen schoone liedren zingen;
Versmaadt uw koelheid ze altemaal?

Of heeft u andre liefde ontsteken,
En smacht gij naar een Dageraad,
Die u doet kwijnen en verbleeken,
Als hij op u zijn oogen slaat?

Ziehier wat, in de stille nachten,
De Starren zeggen tot de Zee:
Wij hoorden uw verliefde klachten,
Uw doffe zuchten. luide be

Ook minnen we U; maar altijd vergen
Het zwijgend kerkhof, t eenzaam pad,
De donkre wouden, zwarte bergen
Ons troostlijk licht; ei gun hun dat.

Zoo we aan uw borst ons nederleggen
En dalen tot uw schatzaal af:
Wat zullen de arme dichters zeggen,
En wat de dooden in hun graf?


II.

JANUARINACHT.

De Wind, die door het luchtruim huilde,
Beeft dezen nacht den Dood ontmoet.
In dichten sluierplooi verschuilde
Hij t aanzicht zonder vleesch of bloed.

Van waar mijn broeder! en waarhene,
In zulk ~en nacht, te dezer stond?
- Bij t licht der danszaal, kuste ik eene
Der schoonsten voor haar rozemond.

Ik min de rozen als zij bloeien;
De roze-knoppen zijn mijn lust;
En k ga mij naar een wiegje spoeien,
Waarin een mollig knaapje rust.

Ik zal, onvatbaar voor erbarmen,
Der moeder zeggen, in haar smart:
Alle ouden vallen mij in de armen;
Maar naar wat jong is trekt mijn hart.

De Wind vervolgde door de vlakte
Zijn weg en gierde t uit in t rond:
Ik maakte t erger nog; ik knakte
De bloem, die ik op t kerkhof vond;

k Befloersde t schijnsel der planeten
En joeg de wolken voor de maan;
Ik heb de zangen der poten
Gestoord, verstrooid, te niet gedaan.

En t schip dat, meer dan kostbre gaven,
Dat vaders bracht naar t wachtend huis,
Stiet ik terug voor de open haven,
Op nieuw in t razend golfgebruis.


Ingezonden op: 19 July 2001