UIT PLATO.

(Zie zijn Gorglas.)

Zoo ik een vijand had, en t vrijstond aan den baat,
Van al wat onheil heet hem t ergste toe te wenschen,
               Ik wenschte hem onsterflijkheid in t kwaad,
En in wat dwaselijk geluk heet bij de menschen.
Misdadig wezen is rampzalig. sterveling!
Maar t ongestraft te zijn, als vloekbaarst lot te vreezen.
         Uw grootst geluk moet schuldeloosheid wezen,
               Maar, na schuldloosheid, tuchtiging.

Ingezonden op: 19 July 2001