WALTER SCOTT.

NIEMAND RANDT MIJ STRAFLOOS AAN
Zie ik om den Distel staan,
     Schotland! op uw wapenborden;
Maar de distel werd een bloem,
Sinds die eene Schot de roem
     Van heel Schotland is geworden;
Werd een bloem, die ieder prijst,
Ieder gunst en eer bewijst,
     Waard acht in den krans te prijken,
Waar de Brit zich op verheft,
Die de Shamrock overtreft,
     En de Roos niet hoeft te wijken;
Sinds, door proza en door dicht,
Deze Schot het luistrijkst licht
     Op uw land en volk deed dalen;
ít Land der neevlige Ossians,
ít Land van Burns, met nieuwen glans,
     Als het land van Scott deed stralen;
Waar King Arthur van zijn Seat
Op Edina nederziet,
     Fier dat HIJ er ít licht aanschouwde;
Waar het Dryburghís grafgesteent
Plaats gaf aan ít geliefd gebeent,
     Daar heel Schotland over rouwde;
Waar dat Abbotsford verrijst,
Dat hem als zijn schepper prijst
     Met de bosschen die ít omringen,
Waar zijn eiken frisch en groen,
Hunnen planter hulde doen,
     Met zijn lauwren mededingen;
Waar van Melrose ít overschot
Met den tand der eeuwen spot,
     Sinds zijn lied het heeft doen leven;
Waar Loch Katrinís blauwgroen nat
Om het Ellens-eiland spat,
     Trotsch dat HIJ ít den naam mocht geven.
Hoog- en Laag-land, berg en dal,
Meer en stroom en waterval,
     Waar de steile klippen rijzen,
Waar, voor uw ontroerd gezicht,
Ąít Schoon in dí arm van ít Schriklijk ligtĒ,
     Alles moet zijn Dichter prijzen.
Alles roept zijn Dichter uit,
Waar zich ít vergezicht ontsluit
     En, voor uw verwonderde oogen,
Al zijn schoon zoo snel ontvouwt,
Dat het denkbeeld u benauwt:
     ít Wordt mij even snel onttogen;
Waar de herder, in zijn plaid,
Door het dompig moerland treedt,
     Hinde en hert den vloed doorwaden;
Waar de jachthoorn de echoís tergt,
Waar zich ít bloode zeekalf bergt,
     Op Hebriden en Orcaden;
Waar Ionaís Kruisen staan,
Staffaís orgeltonen gaan,
     Zetlands ruige paardjes grazen;
Waar de Bals, de Bens, de Glens,
Duns en Kils een christenmensch
     Met hun vreemden naam verbazen;
Waar de Clyde langs den voet
Van Dumbarton zeewaart spoedt,
     Stirling op haar Forth terneerziet;
Waar op ít Slot de golfslag breekt,
Dat van schoone Mary spreekt
     En des Douglasí zwijgendí eerbied;
Waar de Tay, langs ít bloedig veld,
Van Clan Chattanís neerlaag meldt
     En aan ít schoone kind doet denken,
Dat, door Falklands torenspleet,
Schotlands Prins herleven deed,
     Maar de kracht niet weer kon schenken;
ít Slagveld, dat elks eerbied wekt,
ít Kerkhof, dat de martlaars dekt,
     Kerkers waar zij in bezweken,
Koningshof en ridderslot,
Kerk en klooster, groeve en grot,
Alles spreekt van Walter Scott,
     Die van Schotland heeft doen spreken;
Spreken heel de wereld rond,
Van den vaderlandschen grond
     Tot de verst verwijderde oorden;
Waar de Ganges ít zand verplaatst,
Waar de Mississipi raast,
     Diep in ít Zuiden, hoog in ít Noorden. ó
Laat dan, Schotland! op uw schild,
Zoo ge uw Distel houden wilt,
     Aan zijn stekels ít cijfer hangen
Van uw besteí en grootsten vrind;
NIEMAND DIE MIJ NIET BEMINT
     Mag er de oude spreuk vervangen.

Ingezonden op: 19 July 2001