ZELFBAN.

UIT

WALTER C„SMITH’S

HILDA; AMONG THE BROKEN GODS.


Als de doodelijkste dwaling klinkt het nu eens in mijn oor;
Dan weer is het mij alsof ik enkel evangelie hoor;
Iets waar ’k zelf in staat toe ware, dan juist als ’t geloof het luidst
In mijn hart spreekt van de liefde, die voor zondaars werd gekruist.
Maar dan komt van achttien eeuwen weer de eenpaarge stem en schreit:
„Wee den dwazen, heil den wijzen maagden, in alle eeuwigheid!”
Mag ik op mijn hart vertrouwen, waar mij alles wederlegt?
HILDA.

ZELFBAN.

Een ziel verlost van zonde en dood,
          En rein van smet,
Kwam, waal„zich ’s hemels poort ontsloot,
          Met steelschen tred.
Al de Englen zwegen stille.
Een glans lag op haar aangezicht,
          Zoo vol en klaar;
Maar ook een schaduw, bij dat licht,
          Gansch wonderbaar.
Al de Englen zwegen stille.
Als de avondwolk, die zachtjes drijft,
          Met goud omboord,
Maar schijnbaar onbeweeglijk blijft
          Zoo sloop zij voort.
Al de Englen zwegen stille.
„Ontsluit de poort, ontslnit haar wijd!”
          Riep Petrus uit.
„Zij is van smet en vlek bevrijd;
          „Niets dat haar stuit.”
Al de Englen zwegen stille
„ „Al kleeft mij smet noch vlek meer aan,” ”
          Zoo sprak zij stil,
„ „Ik kom niet hier om in te gaan;
          „ „Ik mag noch wil.” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Eén blik slechts in de Stad, zoo schoon!
          „ „Eén blik voor mij
„ „Op ’t Lam, dat in den gouden troon
          „ „Zit aan Gods zij!” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Eén galm slechts van het Nieuwe Lied
          Tot ’s Winnaars eer!
„ „ Van ’t Levend Water, dat hier vliet,
          „ „’t Geruisch, niets meer!” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Het ingaan staat niet aan mijn macht;
          „ „ Want ik moet zijn,
„ „ Waar een tot leed gedoemd geslacht
          „ „Krimpt in zijn pijn.” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „En die hier inging mag tot daar
          „ „Niet overgaan,
„ „Hoe foltrend hem hun droef misbaar
          „ „Om ’t hart moog slaan.” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Die inging: zucht noch stomme smart
          „ „Mag om hun nood
„ „Zich niet meer melden in zijn hart,
          „ „Hoe zwaar en groot.” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Ik had twee broedren; eigen bloed
          „ „Is ’t hart zoo dier;
„ „ Thans vloeken zij elkaar verwoed
          „ „In ’t helsche vier.” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Hoe zou ’k de gouden harpe slaan,
          „ „Als door mijn lof
„ „Zoo diep een weemoedstoon moest gaan,
          „ „Die hen betrof?” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Hoe nog beminnen wat versmacht,
          „ „En zijn verblijd?
„ „Hoe loven, met mijn mansche kracht,
          „ „Als ’k om hen lijd?” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „O Heerlijk straalt de Gouden Straat,
          „ „ Waar ’t oog op blikt!
„ „De Boom, die in het midden staat,
          „ „Geurt en verkwikt!” ”
AI de Englen zwegen stille.
„ „De Heiligen met kroon en palm,
          „ „Hoe schittren zij!
„ „Hoe schoon en grootsch hun zegepsalm!
          „ „Maar niet voor mij.” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Hier is geen nacht; maar, waar geen dag
          „ „Is, moet ik heen;
„ „Rampzaalgen troosten wat ik mag,
          „ „In hun geween.
Al de Englen zwegen stille.
Sint Petrus zag haar toornig aan;
          Straf klonk zijn stem:
„Mint gij den Heer, en wilt gij gaan
          „Zoo ver van Hem?”
Al de Englen zwegen stille.
„Mint gij den Heer, die voor u stierf,
          „En miidt gij ’t oord,
„Waar de eerkroon, die hij zich verwierf,
          „Zoo schittrend gloort?”
Al de Englen zwegen stille.
„Die eens hier inging kent niets meer
          „Waar ’t hart naar haakt:
„Niets mist hij, want hier is de Heer,
          „En ’t heil volmaakt.”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Zou ’k dichter bij mijn Heiland zijn,” ”
          Was ’t wederwoord,
„ „Met minder deernis voor de pijn,
          „ „Die hen doorhoort?” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Hem meer gelijken, nader staan,
          „ „Met min gevoel
„ „Voor hen, die in hun leed vergaan,
          „ „In gindschen poel?” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Verdroeg Hij niet de schande en smart
          „ „Aan ’t kruis voor mij,
„ „Mijn zonde dragende op zijn hart,
          „ „Uit medelij?” ”
Al de Englen zwegen stille.
„ „Zou ’k dit vergeten, en aan Hem
          „ „Gelijker zijn,
„ „Slechts juichende met luider stem:
          „ „Het heil is mijn?” ”
Al de Englen zwegen stille.
De Heer stond zelf dicht bij de poort,
          En hij verstond
Het diep gevoeld, ontroerend woord
          Uit haren mond.
Al de Englen zwegen stille.
Ontferming is een godlijk iet
          In ’t menschlijk hart;
Dat, waar Gods Eenge mensch om werd,
          Verzaakt hij niet.
Al de Englen zwegen stille.
„O Liefdrijk hart!” heeft hij gezeid,
          „’k Zal met u gaan.
„Ook mij staat enkel heerlijkheid
          „En macht niet aan.”
Al de Englen zwegen stille.
„’t Verloorne gaan wij zoeken en
          „Wat diepst me ontviel
„Die ergsten, wien ik noodigst ben,
          „Gaan me aan de ziel.”
Al de Englen zwegen stille.

Ingezonden op: 19 July 2001