NAAR HENRI FREDERIC AMIEL.

1.

Een ondeel in het oog, en ’t aanzijn is onlijdlijk
Een enkle zwarte stip in ’t hart: ’t krimpt weg van pijn;
Hoe fijner zintuig, des te kwetsbrer zal het zijn;
Want bij volkomenheid is teerheid onvermijdlijk.

2.

Ontwortel niet te licht uw leven, lotgenooten!
De elk. groeit het liefst en ’t best, waar de eikel is ontsproten.
Men vindt een tweede dak; geen tweede vaderland.
Het sterft met zelden, ’t kwijnt altijd, wat gij verplant.

3.

Daar is een nuttig, en soms noodig, opgangmaken.
Men hecht niet aan zichzelf, als niemand anders ’t doet.
Door ’t oog van vreemden leert het zedige gemoed
Zichzelf waardeeren, in zichzelven thuisgeraken.

4.

Een man te zijn zegt weinig; Man te wezen
Zegt meer; De man te zijn: geen rang gaat boven dezen.

5.

KENNIS EN GEEST.

’t Hout, dat het haardvuur voeden moet,
Kan ook zijn vlammen dooven;
Maar halen deze ’t boven,
Te schooner is de gloed.

6.

’t Gelijkheid-schreeuwen is een haat,
Die zich op liefde voorstaan laat.

7.

„Een echt genie, maar in de kiem gesmoord; een geest
„Van aanleg groot, maar door de omstandigheden
„Verhinderd op te treden”……
Geloof ze niet, die zulke dingen leest.
„’t Wordt wat kan worden; wat niet wordt is niet geweest”.

8.

Dwaas, die wil winnen, en niet strijden.
Dwaas, die wil minnen, en niet lijden.
Dwaas, die zich vrij waant, daar hij elken band verscheurt.
Dwaas, die wil leven, en niet sterven op zijn beurt.

9.

Gij weet het, die wat weet, al wilt gij ’t ook vergeten:
’t Maatschaplijk-zijn steunt niet op ’t weten, maar ’t geweten.

10.

Op recht te hopen, op erkentlijkheid te wachten
Is zieklijk; manlijk is de man,
Die recht en dank ontberen kan
En leeft bij onafhanklijk plichtbetrachten.

11.

Van verontwaardiging te blaken
Om eigen onrecht? Neen, mijn vriend!
Wat verontwaardiging verdient
Zijn groote en algemeene zaken.


Ingezonden op: 19 July 2001