AAN MIJN VOLK.

(Herinnering aan 13 Sept. 1884.)

Mijn Volk, mijn eigen dierbaar Volk,
Goed Volk der Nederlanden!
Tot aan mijn jongsten ademtocht
Blijft u mijn hart en ziel verknocht
Met sterke liefdebanden.

Al waart gij koud voor mij geweest,
Nog zou die liefde gloren;
 Voor haar is Hollandsch hart gemaakt;
Ze is met mijn leven zelf ontwaakt,
Haar kiem mij aangeboren.

Maar nu! Hoe hebt ge ook mij bemind,
Die in uw midden woonde!
Uw liefde — diepst gevoelde ik haar,
Toen zij mijn Tienmaal Zeven jaar
Met al haar goedheên kroonde.

De gunst des Konings schoot een straal
Van vorstlijk welgevallen.
Geen zweem van afgunst — o veel meer!
Een liefdrijk ijvren voor mijn eer,
Vreugde en geluk, bij allen.

Neen! Stond op dien Septemberdag,
Niet „tusschen dorre blaren.”
’t Was bloem en loover wat ik zag;
De Schoonheid had haar liefsten lach;
De Ernst liet zijn rimpels varen;

De Wijsheid schonk haar vriendlijkst woord,
De Kunst haar zoetste tonen;
De Dichter bracht zijn hartlijkst dicht,
De Jeugd haar stralend aangezicht,
Meer waard dan lauwerkronen.

Waar waren, o mijn Volk! dien dag,
Uw twisten en krakeelen,
Miskenning, argwaan, nijd en spijt;
 Waar iets, dat in dees droeven tijd
De geesten moet verdeelen?

Den hoogen God zij eer en lof!
Die dag was zonder wolken;
Hij toonde uw hart en waren aard,
Mijn hoogsten dank en liefde waard,
En deerbied aller volken.


Ingezonden op: 19 July 2001