AAN LEIDEN .

HERINNERING;

1833ó1839.

 In U begon mijn leven,
Mijn leven en mijn kracht.
Gij hadt zoo veel te geven,
Zoo veel mij toegedacht!
Tot kunnen en tot kennen,
Naar hoofd en naar gemoed,
Door aan ó en af te wennen,
Hebt gij mij opgevoed.

In U, mijn eerste stappen
Op wijsheids vasten grond,
En ít merg der wetenschappen
Geproefd met gragen mond;
Door U mijn eerste schreden
Op ít pad der kunst bestunrd
En ít rechte krachtbesteden
Gewekt en aangevuurd.

Voor wat mijn taak zou wezen
Hebt gij mij voorbereid,
Den weg mij aangewezen,
Mij bij de hand geleid;
Maar ook mij toe doen stroomen
Wat, door mijn hoofd en hart
Onwetend opgenomen,
Mij maakte wat ik werd.

Wel zocht ik in de boeken
Hetgeen ik noodigst had,
Maar vond ook zonder zoeken
En zonder boeken wat.
Me,t lezen en studeeren
Kon alles niet geschiÍ;
Er was zoo veel te leeren
Door rondzien, afzien, zien.

Veel heb ik U te danken,
Mijn meesters hoogvereerd!
Op uw collegiebanken
Ontzaglijk veel geleerd;
Maar veel, naar mijn gevoelen, ó
Uw schim vergeef mij dat! ó
Maar veel ook op de stoelen,
Waarop men zachter zat.

ít Ontwikklen onzer gaven
GeschiÍ door les en leer:
Het rechte geestbeschaven
Komt door ít beschaafd verkeer.
Bij werken, wurmen, wroeten
Blijft menig blokker groen;
Het menschelijk ontmoeten
Geeft klotsen hun fatsoen.

Cubicula locata,
Langs straat en gracht verspreid,
Simpliciter oinata,
Maar vol gezelligheid!
ík Zie nog uw haardvuur glimmen,
ík Zie nog den geurgen damp
Uit thee- bij theekop klimmen,
Bij ít zachte licht der lamp.

ík Zie nog, met glinstrende oogen
En wangen hoog gekleurd,
Kamers, door studenten gehuurd.
Bewering en betoogen
Bewonderd, en verscheurd;
De geldendste sijstemen
Gevonnisd en verzaakt
De ontzettendste problemen
Gemaklijkst uitgemaakt

ít Volhardend samenblijven
Bij ít plengen van den wijn,
En scherts den einst verdrijven,
Maar even nuttig zijn;
Als pijlen uit de bogen
Van grof en fijn veinuft
Ons om- en tegenvlogen
Maar niemand werd verbluft.

Heb dank, mijn jonge vrinden
Verscherpers van mijn geest!
Voor wat bij u te vinden,
Te smaken is geweest:
Dat opengaan der harten
Zoo onbekommerd vrij,
Dat overmoedig tarten
Van elke weerpartij;

Dat oppren van gedachten
Aan derden niet geborgd.
Dat oefnen aller krachten,
Zoo k.oen en onbezorgd;
Dat wrijven, worstlen, wagen
En winnen, in den strijd,
Die nutte nederlagen,
En aftocht op zijn tijd!

Ze is uit, elks oog verdwenen,
Mijn eigen kleine cel; (*)
ík Moest menig vriend beweenen,
Naar ít heilig godsbestel;
Maar voor het oog mijns geesten
Herleeft al wat mij heugt
En ík vier opnieuw de feest~n
Der vriendschap en der jeugd.

Maar zou ik u vergeten,
Voortreflijken, wier gunst
Ik meer heb dank te weten
Dan wetenschap en kunst?
Uw huizen en uw kringen,
Waar kiesche smaak en toon
En fijne geest me ontvingen,
Naijvrig op hun schoon?

Lofwaardigen en grijzen,
Met eerbied aangeblikt,
Ervarenen en wijzen,
Wier wijsheid niet verschrikt,
Beminlijke matronen,
Beleefder dan bedaagd,
Bevalligen en schoonen,
Wie men zoo gaarn behaagt:

Zij geven ons de plooien,
De vormen en ít polijst,
Dat onze jeugd moet tooien,
En blijvend dienst bewijst;
Van zedig zelfbetrouwen
Den aangenamen glans,
En wat er van de vrouwen
Mag wezen in de mans.

ít Is enkel niet het ruwe,
Dat voor dien invloed zwicht,
Maar ook dat bloode en schuwe,
Dat zooveel onheil sticht:
Hooghartigheid ó door vreezen,
Boosaardigheid ó uit spijt,
Hier een gramstorig wezen,
En daar een hart vol nijd.

Ach, hoeveel letter-Helden
En Vorsten in hun vak,
Wie woord of blik ontstelden,
Tact missende en gemak,
Geleerd, begaafd. verstandig,
Begunstigden door ít lot,
Maar hulploos en onhandig,
Hun minderen ten spot!

Hij, die de school van ít Leven
Ter Hooge school niet zocht,
Heeft, spijt zijn loflijkst streven,
Te weinig thuisgebrocht.
Die, voor de Zanggodinnen,
De GratiŽn versmaadt,
Wat eerplaats hij moog winnen,
Betreurt het vroeg of laat.


Ingezonden op: 19 July 2001