DE DOODSKLOK.

De doodsklok luidt.
Gezangen zwijgen.
De scherts heeft uit.
De zuchten stijgen.
De wang verbleekt.
De doodsklok spreekt.

De doodsklok spreekt:
„Het gaat op scheiden.
„Schoon ’t hart u breekt,
„Wilt u bereiden!
„Vergeefsch misbaar!
„De tijd is daar.”

De doodsklok zegt:
„Wel moogt gij schromen,
„Die voor ’t gerecht
„Eens Gods moet komen,
„Wiens heilig oog
„Nooit schijn bedroog.

„Geteld, gericht
„Zijn al uw zonden;
„Uw. deugd te licht
„Voor God bevonden;
„Verdiend verderf
„Uw deel en erf!”

Maar englenzang
Klinkt luid er boven,
Als om ’t geklang
Der klok te dooven:
Daar is geen nood,
„Daar is geen dood,
„Voor die gelooven!
„Niets kan Gods kind
„Aan Hem die ’t mint
„Ontrooven!”


Ingezonden op: 19 July 2001