DE EOOLSCHE HARP.

De eoolsche harp ruischt in den nacht,
Ruischt op den toon der treurgezangen;
Aandoenlijk als de weeke klacht
Van ’t hartje, dat van liefde smacht,
Of breekt van onvervuld verlangen.

Die doorslaapt, waar die citer slaat,
Sliep zeker in met zoete droomen;
Die slaaploos aan het venster staat
Wendt naar den kant het bleek gelaat,
Vanwaar de galmen óverkomen.

De nachtwind weet niet wat hij doet,
Die al haar snaren dwingt te trillen,
— Zoo min als ’t oog dat, door zijn gloed,
Ontroering in een rein gemoed
Verwekt, maar niet vermag te stillen.


Ingezonden op: 19 July 2001