AAN EEN JONGE WEDUWE’

uit Oost-Indië terug.

In ’t Vaderland terug, maar zonder dien,
Om wien gij ’t eens blijmoedig kondt verzaken;
Terug, om allen weer te zien,
Behalve hem, die uw geluk moest maken!

Omfloerste Weeuw! met zwijgend’ eerbied slaan
We uw rouwkleed ga, diep, diep in ’t hart bewogen.
Zoo jong en schoon, nog schoon er door de traan,
Die staat en zwelt in de alles zeggende oogen.

Ach, ’t medelij geneest geen bloedend hart,
Al drupt het ook wat balsems in de wonde!
Indien uw hart geen God had die het konde
Gij waart reeds lang vergaan in uwe smart.

Maar zij vergaan niet, die hij staande houdt
En steunt en opbeurt en gebiedt te leven.
En ’t onderpand u van zijn trouw gegeven,
Hebt gij, met ons, in ’t Heilands kribbe aanschouwd.

Tweede Kerstdag.
1885.

Ingezonden op: 19 July 2001