LEELIJK? MOOI?

„Leelijk!” zegt gij. — Neen voorwaar!
Veel moge aan dit schoon ontbreken:
De adel van een ziel is daar,
Die van ’t schoonste weet te spreken,
En de liefde van een hart,
Dat nooit moe van weldoen werd.
„Mooi!” verklaart gij. — Waarlijk niet!
Niets moge aan die schoonheid falen:
Die den kouden glimlach ziet
Om gesloten lippen dwalen,
Die den trots voelt van dien blik,
Blijft bewondren, maar — met schrik.


Ingezonden op: 19 July 2001