PIJN.

Naar het Engelsch.

Mijn al te trouwe makker, Pijn!
k Wil eens vertrouwlijk met u spreken,
Altijd wilt gij de meester zijn:
Geef nu eens van wat heuschheid teeken.

Ik had zoo graag een klaar bescheid:
Waarom gij t menschdom toch kwaamt kwellen;
Drukte u de last der eenzaamheid,
En kondt gij t zonder ons niet stellen?

Of hebt gij t echt tirannenhart,
Zoodat gij lust schept in verdrukken,
En u verkneukelt in de smart
Van die gij goedvindt te onderjukken?

Waarom mij t kranke brein geplaagd
Met folteringen, niet te stillen;
Mij t koortsig bloed naar t hoofd gejaagd,
En. elke zenuwsnaar doen trillen ?

Houdt gij van oogen, dof en mat?
Van beurtlings bleeke of glonde wangen?
Van handen, beevrig, slap en nat,
Die k lustloos naast mij neer laat hangen ?

Of doe k u mooglijk onrecht aan,
En is t uw roeping, om de bloeden,
Die uw mishandling ondergaan,
Voor erger onheil te behoeden?

Beschermt gij ook door leed te doen
Wilt gij door lijden ons bewaren
Voor jamm ren, die wij niet vermon,
Voor doodlijk dreigende gevaren?

En komt er nog een dag misschien,
Waarop ik in uw vreeslijk wezen
Geen loutre wreedheid meer zal zien,
Maar welgemeende goedheid lezen?

Kus ik uw hand dan welgemoed?
Wordt dan met dank door mij beleden:
Uw wegen waren alle goed,
Hoe ruw ook schijnbaar al uw treden?

Mij dunkt, ik zie u: Dun en schraal,
Maar als tot kracht en duur geschapen,
De trekken hard, de wangen vaal,
De haren ordloos om de slapen.

Ik hoor niet dat gij nadertreedt,
Maar aan uw greep is geen ontspringen;
Ik voel uw vingren, dor en heet,
De mijne omknellen en verwringen.

Maar trekt uw hand mij dichter bij:
Ik zie in die diepliggende oogen
Een schat van liefde en mede do ogen
Gewis! een zegen brengt gij mij.

Zoo zong een grijsaard, gansch gezond van lijf en leden,
Een deerniswaarde na, door lichaamsleed bezwaard;
Waar roemt met dubblen dank Diens goedertierenheden,
Door wien dit middel tot zijn heil, hem bleef gespaard.


Ingezonden op: 19 July 2001