HET SNEEUWT.

Gegroet, gij bleek en koud, maar zacht
En maagdlijk kind van t kille Noorden!
Uw ijskaros met stille pracht
Trekt een paar beren, wit van vacht,
Aan glinstrig ruigbevroren koorden;
De hemel huift een tentgordijn
U over t hoofd van grijs satijn.

In t hermelijn uws mantels breed,
In t zilverkleurd fluweelen kleed,
Dat met zijn sleep en donzen zoomen
Haar altijd dichter naadren zal,
Verdwijnt de wereld gansch en al,
En niets dat leeft kan bovenkomen.

Geen omtrek merkbaar; geen geluid;
t Zwijgt alles; alles wischt zich uit,
Bedolven onder t doodsche laken.
Het sneeuwt; de sneeuw daalt stil en zacht,
Maar stadig neer, den ganschen nacht,
En dekt paleis en rieten daken.

Ja daalt, verbergt voor zijn gezicht
Een wereld, die in t booze ligt
En lastrend spot met God almachtig,
Gij hemel-lelies! die zoo stil,
Eerbiedig, ernstig, en eendrachtig,
Uw blaadren loslaat op zijn wil

Naar een sonnet van Richepin.

Ingezonden op: 19 July 2001