SONNETTEN.

I.

Sonnetten hier, sonnetten daar!
Een wereld vol sonnetten!
Men is er machtig gauw mee klaar,
In spijt der stipte wetten.

Al loopt de zin wel wat gevaar,
Daar valt niet op te letten;
Het fijne van de mis is maar
Ze goed ineen te zetten.

Een k l i n k d i c h t — als ’t in ’t Hollandsch heet —
Heeft niets te doen dan klinken;
En hebt gij daar den slag voor beet,

Uw roem zal eeuwig blinken…
Zie zoo; het mijne is ook gereed,
En hoor het eens rinkinken!


II.

Tweemaal vier, tweemaal drie, voor het rijm en de maat
Die dit weet en een denkbeeld kan baren,
Voelt zich dichter en is tot een „klinkdicht” in staat,
En het klinkt (als katoen) van zijn snaren.

Lijdt het duitsch ook wat last, nu dat schaadt niet, waar ’t baat,
En een Vriend zal ’t zoo licht niet ontwaren.
Het verklaart zich gemaklijk uit afgunst en haat,
Heeft een booze Critiek haar bezwaren.

„Maar een denkbeeld! Het komt niet. in spijt van mijn weên!”
Heb geduld; het zal komen, mijn vrindje!
Zoek zorgvuldig maar vast al de rijmen bijeen,

Deze brengen, zij halen het kindje;
Zij schikken, zij kleeden, zij baakren zijn leên,
En een wiegje… dat hebje, of dat vindje. (*)


Ingezonden op: 19 July 2001