NAAR THOMAS MOORE.

I.

ALL THATíS BRIGhT MUST FADE.

ít Moet bleeken al wat blinkt,
Wat heerlijkst blinkt het eerste;
Het lieflijkste is het teerste;
ít Ontluikt, bekoort, ontzinkt!
De sterre, die verschiet,
De bloemen, die verbloeien,
Zijn beeld van wat geschiedt
Met al wat ons kan boeien.
ít Moet bleeken al wat blinkt,
Wat heerlijkst blinkt het eerste;
Het lieflijkste is het teerste;
ít Ontluiktíbekoort, ontzinkt!

Wie prijst dan nog, of tracht
Naar vreugden, die doen treuren,
Naar banden teer en zacht,
Die ieder uur kan scheuren?
Veel beter, in den donker
Te houden onze rust,
Dan, na een kort geflonker.
Ons. licht te zien gebluscht,
ít Moet bleeken al wat blinkt,
Wat heerlijkst blinkt het eerste;
Het lieflijkste is het teerste;
ít Ontluikt, bekoort, verzinkt.


II.

íT IS THE LAST ROSE OF SUMMER.

ít Laatste roosje van den zomer
Bloeit hier nog, maar bloeit alleen;
Al haar lieve gezellinnen
Welkten weg en zijn daarheen!
Niet een bloempje van haar maagschap,
Niet een enkle roze-knop,
Blijf haar zachten blos weerkaatsen,
Zendt zijn geur nog tot haar op.

Langzaam op uw steel vervallen
Laat ik u, verlaatne! niet.
Slaapt het al wat ge om u ziet,
Ga dan, slaap ook gij met allen!
ík Schud, uit liefde, uw blaadjes af,
nat ze in ít zwijgend noodlot deelen
Van de vrienden en gespelení
Neergezegen op hun graf.

 Ook zoo spoedig moge ik volgen,
Als de vriendschap mij begeeft,
En de rijke krans van liefde
Bloem op bloem verloren heeft!
Waar getrouwe harten weken,
Teedre harten niet meer slaan:
Wie wenscht in zoo leÍg een wereld
N og een wijle alleen te staan?


Ingezonden op: 19 July 2001