ZILVEREN BRUILOFT.

„’k Werd Zeventig; ik zag mijn jongste groot”;
Zag me op mijn feest met bloemen en laurieren
Door Vorst en Volk vereeren en versieren;
Maar schoon er feest nog mag ik heden vieren,
Het Zilvren Feest met U, mijne Echtgenoot!

Van vijftien kindren zijn mij tien gespaard;
Acht aan dees disch vereend; ’k zie dochtren, zonen,
Reeds prijkende met eigen huwlijkskronen
In eigen huis, waar liefde en vrede wonen,
En kleinkroost, dat naar deugdzame ouders aardt.

En ik, mijn Zilvren Bruid! gedenk den dag
Der groene bruiloft en de blijde stonden,
Toen dit mijn hart getroost werd van zijn wonden,
En halve weezen weer een moeder vonden,
Mijn huis weer vroolijk werd als ’t eertijds plag.

In lief en leed, dat God ons zenden wou —
Het leed trof diep, maar ’t lief dat ons verblijdde
Was veel en meer ’t waart ge immer aan mijn zijde,
In liefde en deugd dezelfde t’ allen tijde,
Schoon toonbeeld van: „Waar werd oprechter trouwe?”

En O! waar klopte een Moederhart als ’t uw,
Voor eerste en laatste, kleinste en grootste kranken
En stervenden?… Mijn kindren paart uw klanken
Aan mijne, om haar te huldigen, te danken!
Mijn eerfeest is geweest; het hare is nu.

Bekranst haar ’t hoofd met rozen hagelwit
En rein als ’t hart, dat God haar heeft gegeven;
Verheft de deugd haar in ’t gelaat geschreven;
En zoo ge uw Vader liefhebt, bidt, ei bidt ,
Dat zij, met U, haar Man moge overleven.

20 Oct. 1884.

Ingezonden op: 19 July 2001