’k Ben, voor ruim veertig jaren,
Als Dichter opgetreên ,
Ik tokkelde mijn snaren,
Door alle tijden heen;
Mijn meeste Lezers waren
Mij wel gezind, naar ’t scheen;
En mijn Beoordeelaren
Zacht over ’t algemeen;
Ik zelf maar half tevreê.
Mijn halmen en mijn aren,
Mijn bloemen en mijn blaren,
Hier hebt gij ze bijeen.

1874.