DE MIER.

Hoe klein zijn de mieren,
Die nietige dieren,
Die, zonder ontfermen
Of deernis, bij zwermen
De voet van een wandlaar vertreedt;
Maar deden we als wijzen,
We zouden ze prijzen,
Haar achten en eeren
En veel van haar leeren,
Dat menig te dikwijls vergeet.
Zij slijten den tijd
Met geen slapen of spelen,
Vervelen, krakeelen,
Maar werken met orde en met vlijt.
Zij werken en zwoegen,
Met blijkbaar genoegen,
Zij draven en dragen,
In t heetste der dagen,
En zorgen, hoe fel haar de middagzon steekt
Dat s winters geen graan in haar schuren ontbreekt.

Hoeveel dwazer blijk ik dan een mier op de proef,
Wanneer ik geen werk maak van wat ik behoef
Geen raad schaf voor komenden nood! ,
Op eens ben ik oud, overvalt mij de dood,
En verspilde ik met beuzlen het best van mijn dagen,
Ik zal mij te laat van die dwaasheid beklagen.
Neen thans, in den bloei van mijn jeugd en mijn kracht,
Zaamle ik op wat mij dient als een ziekbed mij wacht,
Als de dagen van onlust genaken.
Wat mijn hand vindt te doen zij met ijver volbracht,
En de zegen des hemels ootmoedig verwacht
Op mijn bidden en werken en waken.


Ingezonden op: 19 July 2001