GEHOORZAAMHEID AAN DE OUDERS.

t Kind, dat godvruchtig wezen wil
En gaan op t pad der deugd,
Zwijge, als zijn ouders spreken stil
En doe hun wil met vreugd.

Vernaamt gij niet wat straf hem wacht
Van een rechtvaardig God,
Die t vaderlijk gebod veracht,
Zijn moeders raad bespot?

Wat schuld zijn misdaad in zich sluit?
Wat vloek hem volgen moet?
De rave pikk hem de oogen uit
En de arend zwelg zijn bloed!

Maar t kind, dat God en Gods gebod
In de ouders eert, verbeidt
Op aard een rijk gezegend lot,
Nog meer in de eeuwigheid.


Ingezonden op: 19 July 2001