TEGEN HOOVAARDIJ OP KLEEDING.

Wat dwaasheid is het trotsch te zijn
Op mooie kleedren, rijk en fijn!
Of hielp niet, zoo als ieder weet,
Ons de eerste zonde aan ít eerste kleed?

Ach, bij dat eerste kleedingstuk,
Was ít uit met onschuld, eer, geluk!
Gekleede menschen, schaamt u dan,
En maakt er toch geen ophef van!

O Zeker, zeker, ít staat recht mooi,
Dit nieuw gewaad, dees kostbre tooi!
Maar ít schaapjen en de zijworm stak
Lang vůůr mij in ditzelfde pak.

Een tulp, een vliegend ongediertí
Is prachtiger dan ik gesierd;
De stof zij rijk, de snede schoon:
Een bloem, een vlinder spant de kroon,

ít Waar best dan, zoo mijn keuze viel
Op ít sieraad van een reine ziel;
Deugd, wijsheid, waarheid, ootmoed zij
Mijn onverslijtbare eerkleedij.

Dan heeft de vergelijking uit
Met wat er pronkt bij dier of kruid;
Dan draag ik ít kleed der Englen Gods;
Gods Zoon op aard droeg ook dien dos.

Dit kleed veroudert noch verschiet,
Het vreest de mot, den regen niet.
Het plekt, scheurt, slijt niet vroeg of laat
Hoe meer men ít draagt, hoe mooier ít staat.

Welaan! dit zij mijn kleed op aard,
Dit Zij mijn reiskleed hemelwaart!
Als ik daarmee voor God verschijn
ít Zal, als zijn werk, hem welkom zijn.


Ingezonden op: 19 July 2001