TEGEN LEDIGHEID EN MOEDWIL.

Het werkzaam bijtje weet heel goed
Elk zonnig uurtjen uit te koopen,
En zamelt was en honigzoet
Uit wat voor bloempje zich maar open’.

Met oordeel vormt het cel bij cel,
En bouwt ze aaneen op nette wijze,
En rust niet voor zij allen wel
Voorzien zijn van de winterspijze.

Aan deeglijke’ arbeid, naar mijn staat
Verlang ook ik mijn tijd te schenken;
Steeds weet de Booze kwaad op kwaad
Voor leęge handen te bedenken.

’k Wil tusschen nuttige oefening
En sterkend spel mijn jeugd verdeelen
Verveling is een leelijk ding,
En kan slechts leed en wroeging telen.


Ingezonden op: 19 July 2001