LOF AAN DEN SCHEPPER EN ONDERHOUDER.

Ik zing dien grooten God, wiens macht
De bergen heeft gegrond,
De wijde zee heeft voortgebracht
En ít ruime hemelrond;

Zijn wijsheid, die aan zon en maan
En sterrental bij tal
Hun wetten voorschreef en hun baan,
Die niemand schenden zal;

Zijn goedheid, die met milde hand
Al ít schepsel laaft en voedt,
Zijn woord bracht al wat is tot stand,
En al wat is, is goed.

Uw wondren, Heer! staan overal
Voor mijn verwonderd oog ;
Rondom mij in dit aardsche dal,
En aan des hemels boog.

Daar is geen bloem, geen blad, geen kruid,
Of ít maakt uw eer bekend;
De stormwind roept uw grootheid uit,
De macht van wie hem zendt.

Uw zorg slaat al wat ademt ga,
Ter aller uur en tijd;
Daar is geen plekje ver of na,
Daar Gij, o God, niet zijt.

Uw goedertierenheid vervult
De heemlen, en deze aard,
Waarop uw goddelijk geduld
Een zondig menschdom spaart.

Uw grond is ít, daar mijn voet op staat.
Uw lucht is ít die Ik schep,
Uw wil, dat ook mijn adem gaat,
Ook ik mijn denkkracht heb.

Uw hand beschermt mij waar ik treed,
Uw oog bewaakt mijn schreÍn:
Den God, die nimmer mij vergeet,
Zou ik vergeten? ó Neen.


Ingezonden op: 19 July 2001