DE LUIAARD.

Hoor de stem van den luiaard: „Gij wekt mij te vroeg,”
Zoo kreunt hij, zoo steunt hij: „Ik sliep niet genoeg!”
Als de deur op haar hengsels, zoo wentelt en keert
Zich de luiaard op ’t bed, dat zijn krachten verteert.

„Nog even gedommeld! Nog even gedut!”
Zoo verslijt hij de helft zijner dagen onnut;
En is hij ten laatste overeind en op ’t pad,
Hij slentert daarhenen en beuzelt zoo wat.

’k Zag den hof van den luiaard: ’t was distel en .doren
En melle en brandnetel van achtren tot voren;
Al zijn goed is verwaarloosd, zijn boeltje bederft,
Zijn bezitting teert in, tot hij bedelt of sterft.

’k Ging den luiaard bezoeken. „Aan hart en verstand,”
Zoo dacht ik, „voor ’t minst houdt hij nog wel de hand;”
Maar hij sprak mij van niets dan van schaffen en schenken;
Zijn Bijbel blijft dicht, en hij houdt niet van denken.

En ik sprak tot mijzelven; „Waardeer deze les!
Van wat gij kondet zijn, is die mensch u een schets.
Maar dank zij aan hen, die kun plicht beter kenden,
En vroeg u aan werken en lezen gewenden!”


Ingezonden op: 19 July 2001