STELEN.

Zou ’k mijn naasten ooit berooven
Van wat God hem schonk en liet?
’k Heb mijn handen om te sloven,
Maar tot roof en plundring niet.

Hij bedriegt zichzelf terdegen,
Die er winst of heil van wacht;
Wat oneerlijk is verkregen
Heeft nooit iets dan leed gebracht.

Eva reeds kan me onderwijzen
Hoe gestolen vrucht gedijt;
Doorn en distel zag zij rijzen,
Maar haar Eden was zij kwijt.

’t Appeltje van buurmans boomen,
’t Eitje uit buurmans hoenderkot:
Daar is vaak meêaangekomen,
Wat een eind nam op ’t schavot.

Dieverij blijft nooit verholen,
Schoon men ’t hope en zich beduid’;
God aanschouwt haar, hoe verscholen,
En brengt eens de misdaad uit.

Lieve God, uw kind zij eerlijk
Niet begeerlijk,
Maar tevreden met zijn deel,
Zij het weinig, zij het veel!

Geef maar dat ik Uw beschikking
In mijns naasten deel erken;
’k Zal dan nimmer van mijn leven
Nemen wat niet wordt gegeven,
Houden wat ik schuldig ben.


Ingezonden op: 19 July 2001