TEGEN HET LIEGEN.

O hoe gelukkig is het kind,
Dat siddert voor de minste logen,
Dat wij geheel vertrouwen mogen,
Daar ’t met zijn hart de waarheid mint.

Een leugenaar wordt niet geloofd,
Al zou hij eens de waarheid spreken;
„Die leugens zoekt voor zijn gebreken”
Laadt dubble schuld op ’t schuldig hoofd.

Hoe God de leugen straft en haat
Behoeft hij waarlijk niet te vragen.
Die ooit zijn oogen heeft geslagen
In wat zijn Woord ons lezen laat.

Gedenk boe Ananias stierf,
Saffira d’adem voelde ontglippen,
Een leugen op de va1sche lippen,
Die hen naar ziel en lijf verdierf.

De oprechte wordt door God geleid;
Hij zal hem zeegnen en bewaren;
Maar ’t deel van al de leugenaren
Is eeuwige rampzaligheid.

O God! beware ik dan mijn mond!
U kan ik nimmermeer bedriegen,
Gij hoort het, ook als kindren liegen
En ziet hen tot op ’s harten grond.


Ingezonden op: 19 July 2001