Wie zegt daar: „’t is nog tijds genoeg
Om voor uw eeuwig heil te zorgen!”
Verwelkt een bloem niet soms zeer vroeg?
En kan ik: rekenen op morgen?
Zoo ’k heden mijn belang niet ken,
Gods roepstem in mijn hart versmade,
Wie weet hoe dof ik morgen ben ,
Hoe ongeschikt voor zijn genade.
Verdiende ook zulk een uitstel niet
Dat hij, die nu zich nog doet hooren,
Mij aan mijzelven overliet
En sprak: „gij wilt het; ga verloren!”
Neen, lieve God! van uw geduld
Wil ik geen schandlijk misbruikmaken.
O houd mij van uw woord vervuld ,
En leer mij bidden, doe mij waken.